Type en stand

  

Het type en de stand van de Nederlandse Hoogvlieger vormen  het belangrijkste raskenmerk en geven een overwicht bij de beoordeling. Het is een compacte, goed afgeronde vogel met een horizontaal gedragen lichaam. Het lichaam dient kort en niet te smal te zijn. Toch moet het vliegtype van deze duif herkenbaar blijven. De staartlengte moet in verhouding staan met de rest van het lichaam. Er moet een kloeke houding en uitstraling te constateren zijn. De staart moet horizontaal aan het lichaam aansluiten en mag niet hangen of omhoog wijzen. Het ras is middelgroot, mag niet smal en lang zijn. Het is vrij kort, wat breed zonder fors te zijn: niet grof en niet te hoog of te laag gesteld.  Om het goede type te krijgen, zal wel eens ingekruist moeten worden met rassen die bepaalde eigenschappen wel hebben, bijvoorbeeld kortheid, of horizontale stand. Er is veel met Modena en King gekruist, maar hierbij moet men zeer zorgvuldig te werk gaan, omdat ook eigenschappen meeliften die we bij onze Nederlandse Hoogvlieger liever niet zien, zoals te groot en te grof en een zware hals, veel achterkop, stierennek, balkogen en zware snavels. Beter kan men in de richting van Oud Hollandse Tuimelaar of tegen de roeken een Ned. Helmduif zetten, vaak vallen dan in de eerste generatie al bruikbare witpennen. Vooral met het inkruisen van King en Modena zal er vele generaties doorgefokt moeten worden, om de minder gewenste kenmerken van het betreffende ras weg te krijgen en weer correcte Nederlandse Hoogvliegers in de kooi te krijgen. Daarbij moet op verschillende dingen gelet worden, bijvoorbeeld dat een pareloog recessief is ten opzichte van gekleurde ogen. Inkruisen is evenwel geen eenvoudige zaak: het zal veel vaker mislukken, dan goed gaan.

Vaak moet men generaties lang doorfokken en dan nog kan het zonder bevredigende resultaten blijven.

 

Kop en snavel.

  

De schedel moet breed zijn met voldoende lengte, goed afgerond en voldoende voorhoofd hebben.

De kop is goed gevuld en een weinig gerekt, met een goed uitgesneden keel. Meestal gaat dit soort kop samen met een krachtige snavel. Maar die moet ook weer niet overdreven sterk zijn.

Ook moet  gelet worden op de vulling van de voorkop. De voorkop moet niet te smal  en goed gevuld zijn, zonder dat van overvulling sprake mag zijn. Toont de voorkop van bovenaf gezien een versmalling tussen ogen en mondhoek dan noemen we dat kneep en is een ernstige fout. De snavelinplant verdient ook de nodige aandacht. Hij mag niet benedenwaarts gericht zijn, de snavel moet bijna horizontaal zijn ingeplant. Doet hij dit niet dan spreken we al snel van een hangsnavel, niet te verwarren met laagzichtig, want hierbij kan de snavel op zich wel goed zijn ingeplant maar is de houding van de kop met de snavel naar beneden gericht. De snavellijn zal als men die denkbeeldig doortrekt door de onderste helft van het oog gaan. Er moet ook voldoende lengte zijn tussen het oog en de snavelbasis, anders ontstaat al snel een steile en hoge voorkop. Loopt de voorkop met de snavel in een lijn, dan spreken we van een scherpe kop, wat meestal gepaard gaat aan een hangsnavel.

De snavelkleur behoort blank te zijn, behalve bij de zwart-witschilden en zwartschildgetijgerden en ook bij de schoorsteenvegers en de blauwe kleurslagen moet die donker zijn. Voor de zwart-roeken wordt vooralsnog een blanke snavel voorgeschreven, reden waarom deze kleurslag maar niet van de grond komt! De neusvleugels zijn fijn en glad en wit bepoederd. Soms komt er wit voor op de kop en aan de snavelbasis, dit kan zich uitbreiden als het dier ouder wordt.

 

Ogen en oogranden.

  

De ogen zijn zuiver parelkleurig, ze zijn zo wit mogelijk, met een kleine ronde pupil. Ze liggen midden in de kop en mogen niet te veel naar buiten treden. De oogranden zijn fijn en omsluiten het hele oog en zijn lichtvleeskleurig. Behalve bij duiven met een zwarte grondkleur en bij schoorsteenvegers moeten ze donker zijn. Bij de zwart-roeken moeten ze natuurlijk weer licht zijn. Uit de ogen straalt levenslust, ze zijn helder en sprekend. Op de juiste oogkleur en oogranden kan geselecteerd worden, want dit is vaak een kwestie van erfelijkheid. Bij het ouder worden, worden vaak de oogranden wat grof. Naar alle waarschijnlijkheid heeft dit niets te maken met het soort voer, met het vliegen van de duiven of de hoeveelheid licht.

 

Benen en nagels.

 

De benen zijn middellang en mogen nooit bevederd zijn. Is er van de dijbenen te veel zichtbaar, dan zijn de benen te lang en is de duif te hoog gesteld. In dat geval kan er ook sprake zijn van te weinig buikvulling.  De nagelkleur correspondeert met de snavelkleur: ze zijn dus steeds blank. Behalve bij de zwart-witschilden en de zwartgetijgerden: witte teennagels zijn hier erfelijk en men dient het uit de stam te selecteren. Bij de rode en gele dieren moeten de donkere nagels en snavels uitgeselecteerd worden: ze worden nooit lichter, het is erfelijk en een storend gezicht. Ook bij de blauwe duiven en de schoorsteenvegers zijn de nagels donker.

 

Hals, borst en rug.

 

De hals is middellang, niet te zwaar en ook niet te dun. Aan de basis wordt hij breder. Er is een goede keeluitsnijding. De borst is breed en vol, goed afgerond en enigszins naar voren tredend. De buik is goed afgerond. De rug moet recht zijn en goed breed. Ook de beenstand heeft met het type lichaam te maken: te nauwe beenstand  is het gevolg van onvoldoende borstbreedte. Ook de schouderbreedte telt hier, alsmede de aanligging van de vleugels tegen de borst. Als de vleugelbogen open staan kan de borst te smal zijn.

Vleugels en staart.

De staart is eerder kort dan lang, anders wordt het totale type weer te lang. Hij is daarbij vlak en smal, ca. 2 pennen breed, daarbij goed gesloten en wordt horizontaal gedragen. De vleugels zijn krachtig. De slagpennen rusten op de staart: ze mogen elkaar niet kruisen en reiken tot ca. 1 cm. van het staarteinde. De vleugels moeten de rug goed afdekken. Zeker bij witschilden ontsiert een slechte rugafdekking de duif. De rug, die rood, geel of zwart moet zijn, is dan zichtbaar tussen de schilden. De vleugels mogen niet hangen: een zwakke vleugeldracht wordt afgewezen.

Bevedering.

De bevedering sluit goed aan bij het lichaam, voelt zacht aan en is niet al te overvloedig.  Wat vrij veel voorkomt zijn de haarveren. Ze komen vooral voor bij de beter gekleurde vogels, de intensieve kleuren geel en rood. Jonge duiven worden ermee geboren, vaak is het euvel na de rui verdwenen. Haarveren vererven en er zal dus streng op geselecteerd moeten worden. Voor een goede nafok zal men vaak een mindere kleur op een betere kleur zetten, maar beter is het met de beste kleuren te fokken. Schilf  vererft sterk en die dieren doet men vroeg of laat toch weg: ze zijn niet geschikt voor de fok noch voor de tentoonstelling.

De kleuren.

De kleuren van de Nederlandse Hoogvlieger zijn: zwart, rood, geel, blauw, blauwzilver en grijs. De genoemde kleuren kunnen voorkomen als eenkleurig (= roek), of in combinatie met wit. De kleuren zijn diep met veel glans over het lichaam. De schoorsteenveger wordt elders besproken en is een kleurslag en misschien wel een ras op zich.

De kleur rood is steenrood zonder lichte veerpunten, schilf of blauwe aanslag.

De kleur geel is goudgeel, het mag geen grijsgeel of matgeel zijn, een te matte kleur is een ernstige fout. Er mag ook geen schimmel of schilf optreden.

De duiven van de rode en de gele kleurslag worden altijd roekkleurig geboren. Zij vertonen hun definitieve tekening pas na de eerste rui! Het wit bij de rode en gele duiven zal met de leeftijd toenemen

Zwart moet egaal en intensief zijn met veel glans. Schimmel in de buikkleur is hardnekkig en een veel voorkomend euvel. Opmerkelijk is, dat de zwarte schildgetekende duiven meteen bij hun eerste verenkleed al de tekening laten zien. Men kan dus na twee tot drie weken zien welke tekening de jonge duif heeft. Bij de zwarte kleurslagen vermindert het aandeel wit naarmate het dier ouder wordt.

Blauw zwartgeband en blauwzilver donkergeband is alleen erkend in combinatie met witpen, witstaart en witpen/witstaart.

De kleur blauwschimmel is een mengeling van blauw en wit (peper- en zoutkleur), variërend van licht tot donker met voorkeur voor de middenkleur, donkerder en glanzend aan de hals. De vleugelschilden zijn voorzien van twee smalle goed doorlopende, zo donker mogelijke banden. De slag- en staartpennen zijn donkerder.

Schoorsteenveger.

Bij de schoorsteenveger is de grondkleur diep kastanjebruin met veel glans aan de borst en hals. Over de staart loopt een zwarte band, maar het einde is weer kastanjebruin. De slagpennen dienen aan de uiteinden zwart te zijn, met daaromheen een bruine zoming. Alle veren moeten vrij zijn van zwarte smet, natuurlijk op de vereiste zwarte tekening na. De slagpentekening dient duidelijk, diep gekleurd en zo scherp mogelijk begrensd te zijn. De niet al te grote vlektekening moet rondom licht (= bruin) omzoomd zijn. Op de slagpennen ligt de vlek direct aan het uiteinde van de veerkop. Bij de spiegeltekening van de staart is de vlektekening iets verder van het uiteinde gelegen. Op afstand ontstaat dan de indruk dat de staart geband is.

Het type en de kopbelijning is gelijk aan die van de andere Nederlandse Hoogvliegers. De snavel en de nagels zijn zwart. De oogranden zijn blauwzwart.

Tekeningen.

Roek.

De eenkleurigen komen voor in zwart, rood en geel. Niet erkend zijn de eenkleurigen in blauw, grijs, blauwzilver en wit, hetgeen eigenlijk logische kleuren zijn voor deze duif.

Getijgerd.

De rozetgetijgerden komen voor in zwart, rood en geel. Ze hebben voor op het vleugelschild, gelijkmatig verdeeld, ongeveer 10 tot 15 witte veertjes. De vleugelbogen moeten vol gekleurd zijn. Tevens moeten ze een aantal witte veertjes hebben tussen de schouder en de halsbasis, tezamen een witte V vormend: de z.g. harttekening, tegenwoordig wordt bijna altijd de term "V tekening" gebruikt. In Duitsland was men zover gegaan om er een volledig witte driehoek van te maken, dit is echter niet de bedoeling!

Bij de schildgetijgerden, in dezelfde kleuren als de rozetgetijgerde, is het hele vleugelschild regelmatig voorzien van witte veertjes. Het meest ideale is om en om wisselend met de grondkleur. In het algemeen mag het wit de grondkleur niet overheersen, dus een ietsje meer grondkleur is het beste. Als er te grote witte velden op het vleugelschild voorkomen, is de duif te platerig. Te veel wit gaat al gauw in de richting van een witschild. Om daar dan een goede witschild van te krijgen, zal er waarschijnlijk te veel geknipt moeten worden: het witte schild wordt dan te dun. Ook de V-tekening tussen de schouders en de halsbasis moet aanwezig zijn.

Witschilden.

Bij de witschilden, in zwart,rood en geel, dient het hele vleugelschild wit te zijn. De slagpennen moeten alle gekleurd zijn. Vroeger werd er onderscheid gemaakt tussen kort- en langschild; dan waren alle mantelpennen wit of geen van alle.

Witstaarten.

Deze zeer zeldzame variëteit mag worden gebracht in zwart, blauw, blauwzilver, blauwschimmel, rood en geel. Hier zijn alle staartpennen wit gekleurd en ook het boven- en onderstaartdek is wit. Er is een duidelijke afscheiding tussen het wit en de kleur.

Witpennen.

Bij de witpennen, in dezelfde kleuren als de witstaarten, zijn uitsluitend de buitenste 7 tot 10 slagpennen wit. Tussen de witte veren mogen zich geen gekleurde bevinden, dit noemt men schakelpennen.

Witpen-witstaart.

Deze tekening is een combinatie van de witpen en de witstaart. De blauwe, blauwzilvere en grijze kleurslagen, die alleen in de laatste drie tekeningen voorkomen, hebben bovendien twee donkere vleugelbanden. De witpen/witstaart is in dezelfde kleuren erkend als de variëteiten waaruit hij is samengevoegd.

Ernstige fouten:

Te klein of te groot. Te zwaar of te lang en te dun in hals. Te lang, te smal en niet horizontaal gesteld lichaam. Slechte rugafdekking of slechte vleugeldracht. Een hoekige, geknepen, scherpe, of afgeplatte kop. Hoog en steil in voorkop of overdreven vulling in voorkop. Te veel achterhoofd. Te stompe of afhangende snavel. Bij de rode en de gele kleurslagen, alsmede de zwartroeken een niet geheel blanke snavel. Te rode of grauw afwijkende oogkleur, niet goed omsloten oogranden. Lichte oogranden bij de zwart schildgetekenden en schoorsteenvegers. Bij de gele en rode kleurslagen en zwarte roeken gekleurde nagels.

Slechte kleur en tekening. Slechte veerstructuur (harig). Een holle staart, een  brede staart of  niet strak aanliggende staartpennen. Veren aan de loopbenen (bekousd).

Beoordeling: Na  het algemeen voorkomen zijn de volgende raskenmerken in onderstaande volgorde van betekenis: 1.Type en stand. 2. Kop. 3. Kleur en tekening. 4. Oog en oogranden.

 

 

 

 

Liemersshow 2013